Bladblazers, haat zaaien en broederschap PDF Afdrukken E-mail
maandag 27 juli 2009
Door: Bart Swanenvleugel

Vorige week zag ik vanuit de trein op station Sittard een man stoeien met een bladblazer. Er stond een briesje waardoor alles wat hij bijeen probeerde te blazen omhoog dwarrelde en net op die plekken neerkwam waar hij het niet wilde hebben. Terwijl ik naar hem keek, liet ik niet echt tot me doordringen wat er gebeurde, ik registreerde het alleen. Maar toen ik Roermond naderde, inmiddels alweer een kwartier later, kwam de vraag bij me op waarom de goede man geen bezem gebruikte in plaats van het ronkende apparaat.
Precies zo ging het toen Paul me vroeg een stukje te schrijven, waarbij hij de instructie gaf geen haat te zaaien en nog wat zaken die ik vergeten ben. Ik las geen haat zaaien en dacht daar verder niet bij na. Of toch wel. Heel even borrelde de vraag op hoe ik dat überhaupt zou moeten doen, dat haat zaaien. Maar verder dacht ik er niet aan ondanks dat ik het zag. Tot ik een dag later uit het niets begon na te denken over haat zaaien en de betekenis die deze uitdrukking heeft in de huidige maatschappelijke context. En, ik bedacht me dat de week waarin Paul mijn stukje verwachtte de week van 14 juli was. De loop die mijn gedachten vervolgens namen met die twee woorden zal ik hier proberen te verwoorden, hoewel mijn oorspronkelijke idee was om hier het fenomeen bladblazer onder de loep te nemen evenals de eigenaren en gebruikers van deze dingen.
Haat zaaien is een uitdrukking die bij deze tijd hoort. Voor mij is ze onlosmakelijk verbonden met het debat over de vrijheid van meningsuiting. Kan het uiten van een mening hetzelfde zijn als het zaaien van haat? De geschiedenis laat zien dat dat inderdaad kan. In de middeleeuwen werd in de kerken zo tekeergegaan tegen Joden dat deze in de Europese steden veelal hun leven niet zeker waren. Bij de eerste de beste uitbraak van een ziekte werden zij ervan beschuldigd en voor vervolgd – tenzij er een vorst was die hen beschermde omdat ze zoveel belasting opleverden, maar dat terzijde. Ook de nazi’s en hutu’s hebben laten zien dat het mogelijk is om, met slim gebruik van massamedia stelselmatig uitlatingen te doen over bevolkingsgroepen waardoor vrijwel een heel volk hen gaat zien als onmensen, met alle gruwelijke gevolgen van dien.
Als we dit soort verschrikkingen - maar ook kleinere incidenten zoals pas geleden de aanvallen op Roemenen in Noord-Ierland - niet acceptabel vinden, worden we geconfronteerd met een facet van de vrijheid van meningsuiting dat het verdient om verder doordacht te worden: verantwoordelijkheid. Wie is verantwoordelijk als het uiten van een mening leidt tot haat en wellicht tot niet welgevallige incidenten? Als een boer graan zaait, wie is verantwoordelijk voor de oogst? De boer, hoor ik u denken. En als een kraai kersen uit een kersenboom eet en een kilometer verderop zijn uitwerpselen laat vallen waardoor daar een nieuwe kersenboom gezaaid wordt, wie is dan verantwoordelijk voor de oogst van die boom? De kraai, de eigenaar van de eerste boom of de eerste boom zelf? Als Youp van ’t Hek een grap maakt over Buckler en vervolgens wil niemand dat merk meer drinken, wie draagt daarvoor dan de verantwoordelijkheid? Youp? De niet-drinker? Buckler? Of allemaal? Als het om vrijheid van meningsuiting gaat is het helaas niet zo eenduidig als bij de zaaiende boer. Iemand heeft een mening en ventileert die, anderen verspreiden hem en weer anderen ontvangen hem. De zender kan slechts ten dele de consequenties overzien van wat hij zegt, tenzij hij ook het verspreidingskanaal in handen heeft en/of de ontvangers domineert.
Waar begint dan verantwoordelijkheid voor een mening? Heeft die beperking van het zicht op de consequenties gevolgen voor het uiten van meningen? Met andere woorden, beperkt verantwoordelijkheid de vrijheid? Dat is volgens mij in het huidige Nederland een vraag die je niet kan stellen. Want iedereen moet alles kunnen zeggen. Zeggen wat je denkt is vooral in politieke kringen een niet meer weg te denken mantra die gretig is opgepakt door iedereen die wat op zijn lever heeft. Vrijheid van meningsuiting is verworden tot het leidende dogma in het publieke debat.
En dat brengt me bij 14 juli. Het begin van de Franse revolutie is dit jaar 220 jaar geleden. En ondanks de gruwelen die volgden op die gebeurtenis is iedereen het erover eens dat die gebeurtenis, ook voor onze Nederlandse geschiedenis, essentieel was. Vrijheid was het eerste woord van het credo van de revolutie. Zoals hierboven betoogd denken we daar in Nederland inmiddels alles van te weten. Ook onze drang naar liberalisering van vitale publieke diensten laat dat zien. Maar die revolutionairen hadden goed nagedacht. Ze noemden in één adem gelijkheid en broederschap, waarmee een morele kant aan de term vrijheid werd toegevoegd. Waarom horen we die twee laatste termen nooit in de polder als het gaat over vrijheid van meningsuiting? Als je waarde toekent aan broederschap, wil je jezelf dan nog wel de vrijheid toe-eigenen om alles te zeggen? Vanuit de idee van broederschap is het in elk geval lastig om tot haat zaaien te komen lijkt me. Of je zou die broederschap exclusief voor een bepaalde bevolkingsgroep moeten reserveren. Hetgeen op zijn beurt weer botst met gelijkheid.
In de nationale discussie over vrijheid van meningsuiting lijkt vooral de tegenstelling maximale vrijheid – haat zaaien te worden uitgespeeld. Sta je aan de ene kant dan is iedereen die maximale vrijheid niet accepteert verdacht - ofwel van de linkse kerk of van een intolerante cultuur. Sta je aan de andere kant dan onderneem je juridische stappen om de ander voor haat zaaien te straffen. Een klassieke goed – slecht tegenstelling, die gemakkelijk uit te leggen is en geen nuancering verlangt. Betekent dat dan dat we in de discussie de moraliteit uit het oog zijn verloren? Of betekent dat dat we doelbewust de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van onze mening uit de weg gaan, aan welke kant je je ook bevindt? Dat zijn vragen die ik niet durf te beantwoorden. En met een prominente plek voor gelijkheid en broederschap hoefde ik ze waarschijnlijk niet eens te stellen.

Bart Swanenvleugel woont in Meerssen en is voorzitter van de fractie PartijvandeArbeid - GroenLinks in de Raad van de gemeente Meerssen. Hij heeft een adviesbureau dat opereert onder de naam Play Time.
Laatst geupdate op ( maandag 27 juli 2009 )
 
< Vorige   Volgende >